Gemma Geurts, schrijver

Romans

Gemma Geurts legt de laatste hand aan een historische roman (260 bladzijden) over de vrijheid van denken. Een thema waarmee mensen in het jaar 1222 worstelden en dat tot op de dag van vandaag chronisch actueel is.

1. Op reis voor de koning

Kom bij me liggen Isabella en blijf met je poten uit de buurt van mijn flank, de wond brandt. Geen hond kan op tegen een blank zwaar; Frans of heilig, dat maakt geen verschil. Ik kon waken wat ik wilde. Vanaf het moment dat onze koning mijn baas uitleende aan een andere koning ging mis het. Zondag wacht hem zijn eindoordeel. Als hij het overleeft en ik niet, moet jij mijn taak overnemen. Daarom vertel ik je over het leven van de stoutmoedige Djibriel d’Al Karaouine. Het is vandaag donderdag, ik heb amper vier dagen voor het hele verhaal. Houd je blaf voor je en luister. Het jaar 1222 was jong en in die dagen woonden we in Salamanca in Hispania. Djibriel zat bij zijn moeders ziekbed en scherpte de punt van zijn ganzenveer terwijl ik aan zijn voeten lag te doezelen met mijn neus op een kluif. Djibriel kraste aantekeningen in zijn notitieboek waarin hij zijn ideeën voor gelijke rechten voor koningen en onderdanen opschreef, achterin het boek hield hij een overzicht bij van de successen met zijn heelkundige recepten. Zijn moeder sprak al dagen niet meer. Ze sliep of staarde naar de hemel boven het bed. Haar jasmijngeur was verdampt en ze verspreidde een bedompte lucht die me in een staat voortdurende van paraatheid hield. Vermoeiend. Ik was blij dat Sofia, ons dienstmaagdje, rozenwater aan de vetlampjes rond het ziekbed toevoegde. Sloughi-honden hebben een fijne neus, een scherp oog en een gevoelig oor. De geur die van huid en kont afslaat vertellen me over verwarring, hoop en verdriet. In zenuwtrekjes in het menselijk gelaat bespeur ik onzekerheid en wantrouwen. De hartenklop van de mens? Ik hoor of de roffel op blijdschap of angst duidt. Net zo goed als de voetstap van een mens mij zijn vreugde of boosheid verraadt. De boze, verwarde en onzekere mens zijn gevaarlijk en die maken me waaks. Altijd sta ik klaar om een hap uit een dijbeen, bil of bovenarm te scheuren. Onbevreesd behoeden wij Sloughis onze bazen voor onheil. Djibriel gooide zijn notitieboek op het voeteneind van het bed en draaide de zandloper voor de zoveelste keer om. Hij duwde de schapenvachten stevig aan rondom zijn moeders stille lichaam en bestudeerde haar gezicht. Sofia liep de slaapkamer binnen en in de keukenluchtjes die ze met zich meebracht rook ik een zweem van paard. Ze kuchte. Djibriel schrok op uit zijn gepeins. ‘Sofia,’ zei hij. ‘Je ziet eruit alsof je zojuist de liefde van je leven tegen het lijf gelopen bent.’ Het meisje bloosde. ‘Heer, een koerier voor u. Van de koning. Van koning Alfonso.’

Inmiddels is Gemma ook aan een ontwikkelingsroman begonnen over een meisje dat opgroeit in het katholieke Brabant van de jaren 50 en 60. Een tijd waarin rolpatronen vastlagen en meisjes voorbestemd waren tot een leven als huisvrouw en moeder en seksisme alledaags was.

1) De leeuwerik

Haar voet hangt boven de rulle aarde als haar moeder haar terugtrekt. ‘Niet doen Vesta, niet vies worden.’

Haar vader en haar broer Ivo stampen de aarde voetje voor voetje lekker stevig aan rondom de lariks waarvan het bevende topje met zijn zachtgroene naalden tot haar schouders reikt. Als het boompje is geplant klapt haar moeder in haar handen en Ivo buigt zo diep dat zijn vetkuif bijna zijn vieze schoenen raakt.

Hun nieuwe huis is een plattegrond van betonnen richels waarin de vorm van de verschillende vertrekken al te herkennen is.

Haar vader wijst naar een groot vierkant gat in de grond. ‘Dit wordt de huiskamer.’

‘Lekker groot, pap,’ zegt Ivo.

Haar moeder knikt en drukt een zoen op Vesta’s kruin. Vesta breekt los uit haar moeders omhelzing en met gespreide armen rent ze over een brokkelige richel bezaaid met klodders cement. Van die slordigheid zie je straks niets meer als de muren er bovenop gemetseld zijn. Klapwiekend remt ze af aan het einde van de richel en slaat de hoek om naar de keuken waar plaats genoeg is voor hen allemaal rond de eettafel die ze al uitgezocht hebben bij Vroom & Dreesmann. Het diepe vierkant naast de keuken wordt de kelder. Er staat een laagje water in. Ze springt over de lange richels van de gang en landt in de slaapkamer van haar ouders. Acht stappen later staat ze in haar eigen kamer. Ze loopt een vierkantje over de richels, dertig stappen groot wordt haar kamer. Ze kan al tot honderd tellen, makkelijk zat. Marijke leerde het haar, die zit in de vijfde. Als het huis klaar is mag Vesta naar de bewaarschool in het dorp drie kilometer verderop. Ze danst over haar slaapkamerrichels en hoopt dat haar bed onder het raam komt te staan. Dan kan ze tijdens het avondgebed door haar oogharen naar buiten gluren.

Met een sprong belandt ze in Marijkes kamer, even groot als die van haar en ze trekt een sprintje naar de badkamer waar het naar gras en bloemen ruikt en nog geen spoor van tandpasta of shampoo te bekennen is. Een gespikkelde vogel vliegt rakelings langs haar hoofd.

‘Mam,’ roept ze en met een gestrekte arm tekent haar vinger zigzaglijnen door de lucht in de achtervolging van de vogel. ‘Kijk.’

Haar moeder veegt haar terlenka jurk met polkadots in de plooi en tuurt omhoog. ‘Een leeuwerik,’ zegt ze. ‘Wat leuk, Vesta. Het eerste vogeltje dat ons nieuwe huis bezoekt.’

In een kampeerstoel, omringd door korenbloemen en klaprozen, kijkt haar vader op van de bouwtekening van hun huis die hij als een krant opengevouwen op schoot heeft liggen.

‘Dat lijkt me de kuifleeuwerik,’ zegt hij. ‘De Galerida Cristata, een mooi exemplaar. We mogen ons gelukkig prijzen met zulke buren naast huize de Wit.’

Schuiven naar boven