Taalcultuur in de kleuterklas

In de jaren tachtig werkten Gemma Geurts, destijds kleuterjuf op de Nieuwe Regentesseschool in Utrecht, en Leo Lentz1 van het Instituut voor de leerplanontwikkeling (SLO) aan manieren om taal voor kleuters te verrijken. Geurts liet haar kleuters experimenteren met een Instamatic-camera, met een computer (de eerste computer in een Nederlandse kleuterklas2 en ze speelden met woorden, vooral met woorden. De weerslag daarvan tekende Geurts op in onderstaand artikel. Het is inmiddels bijna veertig jaar oud, maar ook nu kunnen kleuters en leerkrachten basisonderwijs er plezier aan beleven.

Katernen taaltijdschrift, Enschede november 1987, uitgave SLO

Auteur: Gemma Geurts

Inleiding door de redactie van Katernen

Er is in deze Katernen al op verschillende plaatsen geschreven over de taalcultuur op school3. Misschien een vaag begrip: taalcultuur. Wat wordt ermee bedoeld? Met “taalcultuur” doelen we op al die activiteiten buiten de taalmethode en al die elementen uit de omgeving in de klas waarmee het kind geconfronteerd wordt en die zijn houding tegenover taal in belangrijke mate bepalen. Henk Lammers schreef over briefjes die rondgaan in de klas, over ingezonden brieven in jeugdtijdschriften.

De redactie schreef over de lees- en schrijfcultuur op school.

In dit artikel gaat alle aandacht uit naar de kleutergroep.

Gemma Geurts werkt op de Nieuwe Regentesseschool voor Freinetonderwijs in Utrecht. Zij laat zien hoe zij dag in dag uit een stimulerende taalcultuur creëert, iets waar kleuters uitzonderlijk gevoelig voor zijn.


De inrichting van de klas

Kleuters hoeven nog niet te lezen of te schrijven. Als ze voor het eerst op school komen zijn ze daar nog lang niet aan toe. Wel beginnen ze al belangstelling te krijgen voor symbolen en het geschreven woord. De inrichting van de klas komt tegemoet aan die nieuwsgierigheid.

Er hangen allerlei borden met woord- en symboolkaarten zoals het dagplan, het takenbord, het naamkaartjesbord, het boekenbord. De klas is verdeeld in allerlei werkboeken waaronder een boekenhoek met prentenboeken, zelfgemaakte boeken, informatieve boeken zoals een atlas, een experimenteer- boek, gedichtenbundels en de laatste tijd (dat verschilt nogal eens) een boek over Indianen, de Sahara, Griekenland, Afrika, reuzen. In de schrijfhoek vind je schriften, pennen, stempeldozen, een typmachine, het alfabet, het naamkaartjesbord, een vloeistofduplicator, een flanelbord, een klap-pers, veel soorten papier en een klein prikbordje.

De schrijfhoek

Bij elke hoek hangt een kaart waar met grote letters de naam op staat: TIMMERHOEK, SCHRIJFHOEK, TECHNIEKENHOEK. Hier en daar hangt er ook een foto bij. Zo hangt er in de spelletjeshoek een foto van een mooi mozaïk dat Ruben een poos geleden gemaakt heeft. Verderop een tentoonstellingstafel + prikbord met daarop teksten, voorwerpen en boeken over het thema waar we op dat moment mee bezig zijn. Bij het aquarium hangt een tekening van een vis en een hand in het water met een groot kruis er doorheen: verboden om in het aquarium te kliederen! Bij de geyser hangt een tekening van een rode en een blauwe knop, onder beide knoppen een beker.

De beker bij de rode knop is doorgestreept: pas op, heet water, niet drinken! Bij de kring hangt een reusachtig, ouderwets schoolbord. Er staan tekeningen op met korte verklarende teksten, maar ook aantekeningen van een kring- gesprek, een korte kreet voor mij of voor een ouder; niet vergeten om… Marije een nieuw tekenschrift te geven. Naast het schoolbord hangt een aantal boeken: klasseboeken.

Het dagplan

Elke ochtend na de kring pak ik het beurtenschrift. “Wie willen het dagplan maken?” Veel handen gaan omhoog. Gelukkig hoeft er tegenwoordig niet meer zoveel gekibbeld te worden wie hoe vaak geweest is; het staat allemaal in het beurtenschrift. Een enkeling die wel erg teleurgesteld is dat ze alweer de beurt niet krijgt, kan zelf controleren of het klopt: een kwestie van kruisjes tellen. Simche en Dajo mogen het dagplan maken. Ondertussen lees ik de andere kinderen voor. Tommie kiest het boek uit. Vandaag is dat het indianenboek. Een boek met veel illustraties voor volwassenen over de cultuur van de Noord-amerikaanse indianen. Ik leg het boek gesloten voor me neer en lees voor wie het geschreven en wie het gedrukt hebben. Dat doe ik bij elk boek. Boeken komen niet zomaar uit de lucht gevallen, maar worden door mensen bedacht, geschreven en gemaakt. Daar wil ik even de aandacht op vestigen, verder niets. Ze hoeven die namen niet te onthouden. Dan sla ik het boek op een willekeurige plaats open: een grote oude foto van een indianenkampement. We praten over hoe ieder van ons woont. Indianen wonen in wigwams, maar er zijn er ook die in houten huizen met een ronde deur wonen of in rotswoningen. Even later zijn Simche en Dajo klaar. Op het flanelbord hangen nu fotokaarten. Elke foto symboliseert een activiteit en een aantal kaarten op een rij vormen het voorstel wat we die dag kunnen gaan doeni4.

Maarten maakt het dagplan

Simche wil het wel voorlezen: “Eerst kring, dan buiten spelen, dan werken, melk drinken, werkbespreking, voorlezen, overblijven, muziek, poppenkast, taken, dagboek en naar huis.” Onmiddellijk gaan er een paar vingers omhoog voor commentaar. Dajo leidt de bespreking: “Cerinte, wat vind jij?” Cerinte: “Ik vind dat melkdrinken een stukje naar voren moet want na het buitenspelen hebben we dorst.” Dat levert weinig problemen op, iedereen is het er mee eens en er wordt wat geschoven in het dagplan. Joris: “Ik wil geen poppenkast maar toneel, dat hebben we al een tijdje niet meer gedaan.” Nee, ja, geroezemoes, gemompel en binnen enkele seconden kakelt alles en iedereen door elkaar. Een duidelijk geval van een meningsverschil. Ik zie het een poosje aan maar de gemoederen bedaren niet en ik pak een doosje met blokjes. Hier en daar stijgt een gejuich op: stemmen! Ik leg de dag- plankaarten die “poppenkast” en “toneel” voorstellen in de kring. “Diederik, wat wil jij?” Diederik wil toneel en ik leg een blokje op de kaart “toneel”. Zo ga ik iedereen in de kring af. Ondertussen volgen ze gespannen hoe de stemming verloopt, er wordt commentaar geleverd en hier en daar wat gesmoesd.

Politiek Den Haag is niets bij al dit gelobby. Daarom zeg ik af en toe dat ze moeten kiezen wat ze echt zelf het liefste willen. Bij het laatste blokje stijgen er juichkreten op, blokjes tellen hoeft niet meer want de stapel blokjes op de kaart “toneel” is beduidend hoger. Een paar kinderen omhelzen elkaar; overwinningsroes. De “verliezers” zijn overigens vaak even opgewekt.

Soms ontstaat er een nieuwe activiteit zoals “dansen op muziek van de cassetterecorder” of “schooltuintjes” . Dan komen de kinderen zelf met het idee daar een dagplankaart van te maken.

Het takenbord

De klas is van ons allemaal. Dat betekent dat we er ook met ons allen verantwoordelijk voor zijn. Natuurlijk ruim je alles op wat je zelf tijdens het werken gebruikt hebt. Bovendien heb je elke dag de zorg voor een bepaalde taak zoals melk halen, rietjes uitdelen, bekers afwassen, kasten nakijken, vissen eten geven enz. Op het takenbord hangen alle namen met daarachter een tekening die je taak symboliseert. Ben je je taak vergeten? Even spieken op het takenbord. Je weet niet wat je naam is want je kunt nog lang niet lezen? Geen nood, want op het namenbord hangt je foto en die kriebels erachter is je naam. Kijken en vergelijken en bij twijfel is er altijd wel een ander die je helpt.

Homoniemen

Regelmatig gebruiken we de cassetterecorder in de klas. We luisteren naar en dansen op allerlei soorten muziek: pop, Afrikaans, klassiek. Naar aanleiding van het muzieksprookje Peter en de Wolf hing er een poster met oude en moderne muziekinstrumenten in de kring. Tussen de bedrijven door (dan gebeurt er veel bij ons in de klas…) bekijken groepjes kinderen de poster en wordt er over gepraat. Als we bandjes beluisteren kunnen ze al allerlei instrumenten herkennen en benoemen: de pauken, de fagot, de hoorn, de vleugel.
Op een dag komt een slimmerik er achter dat hoorn twee betekenissen kan hebben: muziekinstrument en wat een bok op zijn hoofd heeft. Ook met vleugel: een muziekinstrument en een deel van een vogel.
Zo ontstaat het homoniemenboek. Al spoedig volgen er twee nieuwe: bank en muisjes. Dan is het een tijd stil rondom het dubbelwoordenboek. Ikzelf heb er ook moeite mee: hoe ontdek je zulke woorden? Op een dag heb ik er een gevonden en vol trots vertel ik tijdens het brood eten na de middagpauze dat ik er een weet met wel drie betekenissen. Spinnen: die beesten, het spinnen van een poes en het spinnen van wol. O ja, zeggen ze meteen en ook spinnen voor bagage en suikerspinnen. Ik ben sprakeloos. Enthousiast wordt alles opgeschreven en getekend. Daarna gaat het snel en raakt het homoniemenboek ingeburgerd. Als vanzelfsprekend melden allerlei kinderen nu regelmatig voor we het dagboek doen homoniemen die ze gevonden of bedacht hebben:
pen, schiet, blad, boer, wind, oog, bij, wortel, ton. We komen er achter dat het soms niet zo vreemd is dat hetzelfde woord verschillende betekenissen heeft. Die betekenissen vertonen namelijk vaak verwantschappen zoals “wortel”; wortels om te eten, wortels van de bomen, wortels van je tanden. Al deze wortels staan ergens in en dienen om de rest te voeden.
Soms valt er een uit de toon. “Hart” bijvoorbeeld, daarbij werd genoemd: “in je lijf, waar je van kan leven”, “als je hard valt” en “van verliefd”. Het een is met een “d” en het ander met een “t” . Een kniesoor die daar op let.

Homoniemen van de klas

HAAR OP JE HOOFD
HAARALS JE OVER EEN MEISJE PRAAT
BLADWAAR JE IETS OP KUNT ZETTEN
BLADWAAR JE IN KUNT LEZEN
BLADOM OP TE TEKENEN
BLADVAN DE BOOM
KAMVAN EEN HAAN
KAMOM JE HAREN TE KAMMEN
ZEBRADIE KAN LOPEN
ZEBRAZEBRAPAD
AARDEWAAR WE OP LEVEN, DE AARDBOL
AARDEWAAR DE PLANTJES OP GROEIEN

Rijmwoorden

Alles wat maar met rijmen te maken heeft, heeft de belangstelling van kleuters. Sinds jaar en dag zijn er van die periodes dat alles op alles moet rijmen: Cerinte de pinte, de banaan van Daan. Op een dag heeft Klaas een wel erg mooie: 1500 krokodillen bijten in je billen. Het wordt opgeschreven, een tekening er bij en sinds die dag hebben we een versjesboek. En net zoals het dubbelwoorden zoeken is het bedenken van rijmen een activiteit die ieder voor zich individueel doet (’s avonds in bed, op de terugreis van de schooltuintjes). Door je vondsten in de kring te melden wordt het iets gemeenschappelijks waar iedereen van proeft, keurt en geniet: “het boek moet in de hoek. ” Ja, dat is een mooie, die kan in het versjesboek.

RIJMWOORDEN
- DOOS - POOS
- BIM BAM BOM DE BOMEN STAAN HARDSTIKKE KROM
- HANSJE ZAT OP EEN HEKJE,
KRAK ZEI HET HEKJE
EN HANSJE BRAK ZIJN NEKJE.

Taal uit het verleden

Tot de taalcultuur behoort ook eens iets geks proberen zoals het voorlezen uit de Germaanse mythologie, de Edda. Eeuwenoude verzen waar ik zelf thuis eerst op moet oefenen voordat ik ze met de juiste cadans en intonatie kan voorlezen. Door het dagboek waar we ook de datum in zetten, kregen we het over de oorsprong van de namen van de week: maandag komt van de maan, zondag komt van de zon, donderdag van Donar, vrijdag van Freija. En in de Edda staan verhalen over Donar en Freija, zodoende. Ademloos luisterden ze naar een gedicht bestaande uit 32 coupletten. Op moeilijke woorden werd geen acht geslagen, wel kwamen er vragen wie nu precies wat deed en waarom. Het veelvuldig voorlezen van dezelfde prentenboeken vinden ze heerlijk. Toen ze herhaling van het Donar-gedicht vroegen verflauwde hun aandacht echter na ongeveer 10 coupletten en vroegen er daarna nog maar sporadisch naar.
In andere (Noorse) verhalen heet Donar Thor en zo komen we op de namen en bijnamen die iedereen heeft. Taf heet eigenlijk Tavatscha maar wordt ook wel Taffie genoemd. Tommie, Tom, Tommetje. Simche heet gewoon Simche maar wordt door ons soms wel eens plagend Simche de pimche genoemd. Ikzelf heet Gemma Maria, Maarten heet Marinus.

Tekening van een kleuter naar aanleiding van het lezen van de Edda in de klas
Kleutertekening na het voorlezen uit de Edda.


De verhalen over Donar geven aanleiding tot veel stoer mannengedrag, ook van een aantal meiden. Hun tekeningen geven er blijk van dat He-man een oud sprookje in een modern jasje is. Freija roept associaties op met vrijen, en dat klopt want ze is de godin van de vruchtbaarheid en de liefde.
Inmiddels hebben we een Donarboek in de klas met tekeningen, foto’s, verhalen en gedichten.

Zodra ik het idee heb dat een bepaald onderwerp erg aanslaat bij de meeste kinderen ga ik naar de bibliotheek, zoek verhalen, dia’s en naslagwerken op en presenteer die in de klas. Wordt het een uitgebreid thema dan koop ik een aantal boeken voor in de boekenhoek.

Boekje lezen

Wat hoort er nog meer bij de taalcultuur in onze klas? “Boekje lezen”, een activiteit die vanzelf gegroeid is. Elke dag voor het dagboek, doen we de taken. De ene taak duurt wat langer dan de andere, zodat een aantal kinderen eerder klaar is. Dan beginnen ze te rommelen, te stoeien of een boek te lezen. Nu is boekje lezen een dagelijkse activiteit. Het blijft niet beperkt tot het bekijken van prentenboeken. Ook naar het beurtenschrift, de werkmap en het tuinboek wordt gegrepen. Marijn heeft de werkmap op schoot en imiteert mij: “Taf, wat ga jij doen met het werken?” Hans doet me na met het beurtenschrift, telt en zet denkbeeldige kruisjes, ontdekt dat Simche pas één keer een beurt met sap uitdelen heeft gehad en dat hij het zelf voorlopig wel kan vergeten met voorzitter zijn want bij hem staan wel vijf kruisjes en bij alle anderen maar twee of drie. Lucienne zit met een prentenboek op schoot en “leest voor” aan Cerinte en Daan (ze kent het verhaal bijna uit haar hoofd, vandaar). Bart, Dajo en Marije bekijken de atlas. Bart noemt de namen van hoofdsteden, hij kan al lezen. Afrika en Europa zijn thema’s geweest. Begrippen zoals landen en steden kennen ze dus. Simche vraagt of ik even een stukje wil voorlezen. Eric vraagt uitleg bij een proefje dat in het “weetboek” staat afgebeeld.

Als iedereen klaar is met zijn of haar taak moeten de boeken opgeruimd worden. Dat is een crime! Velen willen hun boek niet inleveren of hoogstens als laatste. Nu hebben we er een nieuwe taak bij: boeken ophalen. De boekenophaler spreekt eerst af welk groepje zijn boek als laatste mag inleveren en sindsdien loopt dat tot ieders tevredenheid. Voortaan begin ik eerder met de taken zodat er meer tijd is voor boekje lezen.

Het dagboek

Vaste prik op het eind van elke dag is het dagboek. Trees Ex noemde het al in haar artikel “Kleuters maken kennis met schriftelijke taal” (tekst blz. 64). Vijf minuten voordat de school uitgaat gaan we allemaal nog even in de kring zitten. In de loop der tijd is dat een vast ritueel geworden. Ik leg het dagboek (een groot plakboek, net als alle klasseboeken) in de kring op de grond terwijl ik hardop zeg wat ik schrijf: “DON-DER-DAG 9 A-PRIL 1987. Wie weet er iets voor het dagboek?” Vijf, zes kinderen steken hun hand op. Als het alleen oudsten zijn, die allang het klappen van de zweep kennen, moedig ik de kleintjes aan met: “Wat hebben we vandaag ook al weer gedaan, wat staat er allemaal op het dagplan? Was daar iets bij dat je heel leuk of belangrijk vond?”

  • “Dat we dia’s van bomen bekeken hebben.”
  • “Dat we kuikentjes in de klas hebben.”
  • “Dat ik vandaag voor het eerst in de timmerhoek ben geweest.”

Op de timmerhoek volgen meteen protesten: “Nee Elsa, dat is van jou zelf, alleen wat van ons allemaal is komt in het dagboek” . Elsa, pas op school, is diep teleurgesteld. Wist ze eens iets voor het dagboek, is het niet goed. Bart stelt voor om het in haar tekstenschrift te zetten. Daar is ze dik tevreden mee en de volgende dag tekent ze er de huizen bij die ze in gedachten allemaal al getimmerd heeft. De kuikentjes zijn al een paar dagen in de klas. Eergisteren hebben we dat al in het dagboek gezet, dat hoeft nou niet meer vinden sommigen. Daar zit iets in dus ook dat voorstel wordt verworpen. Blijft over de dia’s. “Dat we dia’s hebben gekeken. ” Een zin die ik maar zozo vind. “Hoe kun je dat anders zeggen? Hoe zal ik het in het dagboek schrijven?” De jongsten weten met zo’n vraag nog geen raad, maar de ervaring leert dat de kunst vrij snel afkijken van de wat ouderen. Hans en Tommie zeggen tegelijk: “We hebben dia’s van bomen bekeken.” “Zo,” constateert Tommie tevreden, “daar hebben we even een mooie zin van gemaakt hè, Gemma?” Weer zeg ik hardop wat ik schrijf, bijna iedereen doet daar aan mee, langzaam en half hard op: WE HEB-BEN Dl-A’S VAN BO-MEN GE-KE-KEN. Tot slot vraag ik wie er een tekening bij wil maken, soms plakken we er een foto bij of iets anders belangrijks zoals een papiertje van een tractatie. Daarna zetten we het dagboek op zijn standaard zodat iedereen het kan zien, ook de ouders. Als het vol is komt het in de boekenhoek te staan. Wie maar zin heeft kan daar in terug bladeren. Soms wordt er een oud dagboek gekozen om na de kring voor te lezen.

Bij alle hierboven beschreven activiteiten gaat het mij erom de aandacht van kleuters te vestigen op alles wat met taal te maken heeft, inspelen op hun taalgevoeligheid. Liefde voor taal wekken. Taal staat centraal, ook in hún leven. Zicht en grip op taal betekenen macht. De macht de wereld stukje bij beetje te veroveren en op te komen voor je eigen belangen. Taal biedt vele mogelijkheden om je gevoelens te uiten. Het biedt plezier, alleen en in een groep.
Grote woorden? Misschien. Maar ik merk dat het zo werkt. Aan de gefundeerde kritiek die ze kunnen uiten, aan de gesprekken die ze onderling voeren, aan de briefjes die ik toegestopt krijg variërend van “kutgemma” na een ruzietje met een kind tot “gemma is verliefd” .
Voor mij betekent het op de eerste plaats zelf oog en gevoel hebben voor taal. Steeds mijn voelsprieten uitsteken: welke opmerking, welk voorval kan ik uitbuiten? Het betekent improviseren, proberen, flaters slaan. Maar tevens meedenken, mee ontdekken en vooral ook genieten. En… kansen laten liggen want er gebeurt nog zoveel meer in een kleuterklas.


  1. In 2011 werd Leo hoogleraar Tekstontwerp en Communicatie aan de Universiteit Utrecht. ↩︎
  2. Computers in de kleuterklas, kan dat? Gemma Geurts COS, nulnummer tijdschrift Computers op school, december 1988. ↩︎
  3. Van de redactie: Lees- en schrijfcultuur op school, Rubriek naar swp. blz. 55.
    Henk Lammers: Kinderen en taalcultuur, Rubriek besch. blz. 63. ↩︎
  4. Ik beschrijf het dagplan maken nu als een taalactiviteit: samen plannen maken met behulp van symbolen. De pedagogische kant is natuurlijk minstens zo belangrijk. Wie beslist er uit- eindelijk? Ontstaat er zo wel een verantwoord plan? Wat is mijn eigen verantwoordelijkheid? Voor een antwoord op die vragen zou ik een apart artikel moeten schrijven. ↩︎

Bron: het artikel uit 1987 (PDF)

Schuiven naar boven