Gemma Geurts, schrijver

Over Gemma

Scribble scribble
  • Gemma Geurts groeide op in de jaren 50 – 60 van de vorige eeuw tussen de boeren op het Brabantse platteland. De dichtstbijzijnde bushalte was drie kilometer fietsen.
  • Ze is de middelste van een gegoed middenklasse gezin met elf kinderen.
  • Ze woont al jaren in de stad, maar af en toe moet ze een koe zien.
  • Haar overgrootmoeder van vaders kant was een Javaanse. Van de elf kinderen had zij het meest oosterse uiterlijk. Het leverde haar opmerkingen op als poepchinees, bruine beer en chocoladebol.
  • Haar moeder had een succesvol bedrijfje als naaister. Daar moest ze mee stoppen toen ze trouwde, dat stond in de wet. Getrouwde vrouwen wijdden zich aan hun echtgenoot. Haar hele leven betreurde ze het verlies van haar bedrijfje. In haar schaarse vrije tijd las ze onder de pruimenboom.
  • Gemma’s vader maakte zijn studie biologie niet af en werkte als leidinggevende in administratieve functies. Zijn vrije tijd wijdde hij aan jagen en aan natuuronderzoek. Al in de jaren 70 deed hij onderzoek naar bermvervuiling door uitlaatgassen.
  • Gemma’s broers studeerden als ze dat wilden, de meisjes niet, want meisjes trouwen en stoppen met werken.
  • Gemma wilde na de mulo doorleren, maar dat mocht niet. Ze mocht bij hoge uitzondering naar de kleuterleidstersopleiding, een onbetaalde beroepsopleiding van drie jaar. Naast haar werk als kleuterjuf op een Freinetschool volgde ze als dertiger een avondstudie MO Pedagogiek. Daarmee kon ze naar de universiteit waar ze Wijsgerige en historische pedagogiek studeerde.
  • Gemma werkte na het basisonderwijs in het hoger beroepsonderwijs als docent, onderzoeker, onderwijsontwikkelaar en beleidsadviseur. Ze zat in adviescommissies van Schooltelevisie en in de Raad voor het Jeugdbeleid.
  • Gemma woont samen met een lieve man met wie ze 2 kinderen grootbracht. Zonder strijd verdeelden ze de verzorgende 50/50. Vriendinnen waren jaloers op haar.
  • Op een dag dijden haar verhalen dusdanig uit dat vrije tijd niet volstond om eraan verder schrijven. Ze nam ontslag en schrijft nu fulltime.

Na het verschijnen van De laatste vier dagen kreeg Gemma veel vragen op zich afgevuurd. Hier lees je haar antwoorden.

1. Vertel eens wat over je nieuwe boek De laatste vier dagen?

“Djibriël, een jonge geleerde afkomstig uit Noord-Afrika, adviseert een kindkoning hoe hij kan voorkomen dat de rooms-katholieke inquisitie diens land onder de voet loopt. Het verhaal speelt zich af in het jaar 1222 in Occitanië, in Zuid-Frankrijk. Djibriël is net afgestudeerd als rechtsgeleerde en heelmeester. Hij reist in opdracht van de koning van het Spaanse León naar Faula Farss, een land in de uitlopers van de Franse Pyreneeën. Daar komt hij terecht in een ideeënstrijd over gelijkheid, geloof en vrijheid van denken die hij met verbazing en achterdocht beziet. Welke belangen worden hier gediend? Hij begrijpt niet dat mensen de verantwoordelijkheid voor hun denken uitbesteden aan een god, een abstracte hogere macht omdat een paar mannen dat zeggen.”
“Momenteel schikken zich wereldwijd twee miljard mensen in het keurslijf van de rooms-katholieke kerk. Die macht bouwde de kerk met veel geweld op in een tijdsbestek van 2000 jaar. Hun wreedheid nam vele vormen aan en duurde voort tot enkele decennia geleden. Denk bijvoorbeeld aan de in kloosterscholen mishandelde en vermoorde Canadese indianenkinderen, aan de zwangere meisjes die in Ierland slavenarbeid verrichtte in nonnenkloosters. De katholieke kerk roeit tegenwoordig geen mensen meer uit, wel ontkent ze seksueel misbruik door haar eigen priesters en veroordeelt ze agressief abortus en mensen die anders geaard zijn. Met die standpunten vernietigt de katholieke kerk dagelijks mensenlevens.”
“80% van de wereldbevolking hangt een religie aan. Gelovigen laten hun religieuze leiders bepalen wat belangrijk is in hun leven want je bent alleen een goede gelovige als je leeft volgens hun richtlijnen. Daarmee besteden gelovigen het nadenken over wat ze belangrijk vinden, uit aan een instituut.”

2. Waarom ben je gaan schrijven?

“Ik was een forenzende kenniswerker met een gezin, ik deed vrijwilligerswerk, tuinierde en ik leidde een rijk sociaal en cultureel leven. Een druk bestaan, mede mogelijk gemaakt door een partner met wie ik alles in het huishouden en de opvoeding vloeiend 50/50 verdeelde. Toen mijn jongste zoon naar de middelbare school ging, kwam er een zee aan vrije tijd bij. Ik kon natuurlijk meer van hetzelfde gaan doen, meer werken, meer vrijwilligerswerk, nog meer lezen en nog vaker naar de film en de schouwburg. In plaats daarvan stelde ik mezelf de vraag wat ik kon gaan doen wat ik tot op hoge leeftijd zou kunnen volhouden, en het belangrijkste van alles: het moest iets zijn dat mijn hersenen bezighield.”
“Op mijn vijftiende rookte ik voor het eerst nederwiet, het bezorgde me een visioen: het ene na het andere door mij geschreven boek trok voorbij aan mijn geestesoog. Wakker geworden uit de roes verbaasde me de indringendheid van de boekbeelden. Ik was een eenzame, maniakale lezer, voor boeken fietste ik door weer en wind in mijn eentje naar de bibliotheek twee kerkdorpen verderop. Zelf boeken schrijven bestond niet in mijn universum. Ik was immers maar een meisje. Nadat je klaar was met school werkte je een paar jaar in een onbeduidend baantje en dan ging je trouwen en kinderen krijgen. Ik kende geen vrouwen die het anders deden, behalve een vrijgezelle lagere schooljuf en de nonnen. Volgens de algemeen geldende opvatting in die tijd waren dat gemankeerde vrouwen. Ik schrijven en publiceren? Het was een ongeloofwaardig droombeeld. Ik haalde mijn schouders erover op en vergat het visioen. Toen ik mezelf jaren later die vraag stelde, doemde het nederwiet-visioen weer op. Schrijven is een activiteit die je tot op hoge leeftijd kunt volhouden en het daagt je hoofd uit. Dus ging boeken lezen over schrijven, volgde schrijfcursussen en werd lid van schrijfclubjes.”

3. Wat doe je nog meer?

“Ik lees, ik wandel, ik fiets, ga naar de film en het theater. Ik ben bestuurslid van de gemeenschappelijke tuin in mijn buurt. Ik kook af en toe voor grotere gezelschappen en ik houd van reizen waarbij ik er, net zoals in mijn dagelijkse leven, op let dat mijn ecologische voetafdruk binnen de perken blijft.”

4. Waarom is een hond de verteller?

“Ik had van Jan van Aken de historische roman Koning voor 1 dag gelezen waardoor ik begon te mijmeren over het verschijnsel kindkoning dat in de middeleeuwen regelmatig voorkwam. Koningen stierven jong op het slagveld of door ziekte. Als pedagoog vroeg ik me af hoe moeilijk het is voor een kind om zo onwetend en zo onervaren al de dienst uit te maken. Dan ben je gemakkelijk te manipuleren. Zo’n kind heeft een adviseur nodig! En is die adviseur dan wél te vertrouwen? Ideeën- en belangenstrijd werd mijn onderwerp. Omdat elk mens zo zijn eigen belangen heeft, bedacht ik een neutrale verteller voor het verhaal door de adviseur een hond, een reu, te geven die het allemaal van dichtbij meemaakt. Een reu kent hooguit drie belangen, zijn baasje beschermen, op tijd een kluif scoren en zoveel mogelijk teefjes dekken. De hond is geen álwetende verteller, maar een ónwetende verteller die beladen onderwerpen zoals geloof en vrijheid van denken neutraal verwoordt.”

5. Op welke honden is de verteller gebaseerd?

“Hond Lupo is deels gebaseerd op de jachthonden van mijn vader, deels op de honden die ik tegenkom in de openbare ruimte. Verder heb ik een complete kynologische encyclopedie doorgespit en bekeek ik tig afleveringen van Ceasar to the rescue waarin honden worden getroost en baasjes worden opgevoed. Honden zijn slimme dieren met veel overeenkomsten met mensen.”
“Ik heb zelf geen hond, ik heb geen enkel huisdier. Het idee een dier in eigendom te hebben, staat me tegen. Ik vind het een ondragelijke gedachte dat een dier in alles totaal afhankelijk zou zijn van mij. Niet dat ik die verantwoordelijkheid niet kan dragen, maar ik wil het niet, een dier knechten. Bovendien knecht je daarmee ook jezelf. Je leven en dagritme dien je af te stemmen op de behoeften van je huisdier. Ik wil vrij zijn, alleen in vrijheid kan ik schrijven.”

6. Op wie is Djibriël gebaseerd?

“Djibriël heette aanvankelijk Baruch, als eerbetoon aan Baruch de Spinoza. In de 17e eeuw was hij een eigenzinnige voorloper van de Verlichting die de letterlijke duiding van de Bijbel bekritiseerde. Bijbelkritiek is van alle tijden en was een vanzelfsprekend onderdeel van het geloof. Dat lijken we te zijn vergeten. Omdat mijn verhaal zich maar liefst 500 jaar voor Baruchs tijd afspeelt, veranderde ik zijn naam in Djibriël. Dat is voor mijn hoofdpersonage een meer tijdeigen en cultuureigen naam. De naam is afgeleid van de engel Gabriel die een belangrijke speler is naast God en naast Allah in de Bijbel en in de Koran.”
“We hebben de geschiedenis opgedeeld in overzichtelijke blokjes: de middeleeuwen liepen van 500 tot 1400, de renaissance begon in de 15e eeuw, de Verlichting in de 17e, maar veel ideeën speelden vaak al eeuwenlang een rol voordat ze salonfähig werden. We zijn geneigd te denken dat ideeën op het moment dat ze in de mode komen, dan net opploppen. Niets is minder waar.”
“Djibriël is afkomstig uit Fez, in de twaalfde eeuw de grootste stad ter wereld. Hij is een outsider in Europa. Met verbazing kijkt hij naar hoe de rooms-katholieke kerk met ijzeren vuist het denken van mensen in haar greep houdt. Djibriël is ook een schelm die uitwegen forceert in uitzichtloze situaties. Om het te overleven halen mensen in hopeloze, onrechtvaardige situaties rare strapatsen uit.”
“De hond als onwetende verteller en Djibriël als buitenstaander hielpen me om met vreemde ogen te kijken naar het verschijnsel geloofsvervolging door gelovigen. Onder keizer Augustinus (354 – 430 na Chr.) begon men een onderscheid te maken in dat wat volgens de rooms-katholieke kerk tot het ware geloof behoorde en in wat daarvan afweek. Afwijkingen werden niet getolereerd. De kerk en haar macht groeiden. Ze nam steeds meer maatregelen om die macht te behouden. Dat ontaarde in de inquisitie, de kerkelijke rechtbank die zelfs mensen lieten executeren met wie ze een haarbreed van mening verschilden. Een bizarre ontwikkeling waaraan vele hoogwaardigheidsbekleders uit de rooms-katholieke kerk in vele beraden en concilies hun steentje hebben bijgedragen. In de loop van een paar eeuwen maakten ze de vervolging van andersdenkenden telkens een graadje erger.”
“Terwijl ik me verdiepte in de geschiedenis van de inquisitie vroeg ik me af hoe de katholieke terreur eeuwenlang door kon gaan en waardoor het uiteindelijk stopte. Wat bleek: de terreur hield pas op toen de kerk haar draagvlak verloor onder de bevolking. Die kennis lijkt me bemoedigend voor iedereen die onder een juk leeft.”

7. Vertel eens wat over je eigen geloof?

“Op het Brabantse platteland was de katholieke kerk alomtegenwoordig, er bestond niets anders. Het katholieke was de maatstaf voor alles wat je deed en dacht. Ik had geen weet van andere geloven. De school was katholiek, mijn hele familie, de buren, de bakker, de slager, de bankdirecteur. Er viel niet te ontkomen aan de norm van het katholicisme. Er stond niets anders tegenover, geen nuances, geen alternatieven. Iets anders geloven of niet geloven bestond niet. Het was een onversneden vorm van indoctrinatie die nog steeds voorkomt in religieuze kringen. Ik was een godsvruchtig voortbrengsel van die rooms-katholieke indoctrinatie. Ik geloofde in god, bad tot god, was gehoorzaam, bescheiden en dienstbaar en leefde volgens de tien geboden. Dat laatste doe ik in feite nog steeds ook al geloof ik niets. Dankzij de grote maatschappelijk veranderingen in de jaren zestig waarin jonge mensen zich vrijvochten uit traditionele keurslijven, heb ik me aan de katholieke dictatuur kunnen ontworstelen en leerde ik met vallen en opstaan mijn leven en mijn denken zelf vorm te geven.”
“Nederland slaat zich al decennia op de borst omdat we onszelf zo tolerant vinden. Ik heb dat nooit zo ervaren. Zodra je een vraag ergens bij stelt, niet eens een twijfel, hooguit een vraag, werd en wordt die de kop ingedrukt. Religieuze voormannen grossieren in zalvende preken, maar microagressie tegenover andersdenkenden ligt snel op de loer. Ze zijn dwingend als het gaat om het navolgen van hun geboden en verboden. Geloof is uitgevonden door mannen om zichzelf belangrijker te maken dan ze zijn. De rk kerk wordt al 2000 jaar geregeerd door mannen. Vrouwen spelen geen of een minimale ondergeschikte rol. De kerk is een vrouwvijandig instituut. Het zijn perspectiefloze vrouwen die zich voegen naar de kerk.”
“We lijken vergeten te zijn hoe grimmig de kerk haar heerschappij verdedigde met vervolging en moord. Uit onderzoek blijkt dat het collectief geheugen van een volk maar twee tot drie generaties standhoudt. Nu lijkt de kerk de redelijkheid zelve, maar dat kan veranderen.”

8. Waarom Zuid-Frankrijk als plek van het verhaal?

“Ik wilde het verhaal ver weg situeren, ver weg in de tijd en ver weg van Nederland om mezelf en de lezer een spiegel voor te kunnen houden. Vergelijk het met een fabel, een verhaal dat zich vaak afspeelt in het rijk der dieren om iets uit de mensenwereld beter te leren begrijpen. Zo begon ik met schrijven. Het fictieve land waar het verhaal zich afspeelt is gesitueerd in Occitanië en heet daarom Faula Farss. Farss is een verbastering van het Franse farce, wat dwaasheid, grap, grol of klucht betekent. In het Occitaans is een fabel een faula. Het land Faula Farss is een dwaze fabel over het idiote geweld dat een instituut, de katholieke kerk, mensen aandeed en aandoet.”
“Ik heb lang gezocht in de 11e, 12e en 13e eeuw naar een geschikt moment en een geschikte plaats voor mijn verhaal waarin de gewenste geopolitieke ontwikkelingen het meest overeenkwamen met wat ik nodig had voor mijn verhaal. Ik koos uiteindelijk voor 1222, mede omdat ik ontdekte dat zich dat jaar een bijzonder natuurverschijnsel voordeed dat mooi paste binnen mijn verhaal.”

9. Je boek gaat over grote levensvragen, waarom is dat interessant voor 15-plussers?

“Elke jongere stelt zichzelf op een gegeven moment de vraag: wat is de zin van het leven? Hoe geef ik zin aan mijn leven? Wat is mijn plaats in de samenleving? Het zoeken naar identiteit en idealen zijn belangrijke onderwerpen voor wat oudere kinderen en jongeren. Door lezen leer je leven. Lezen brengt je hoofd en je hart verder. Ook voor young adults geldt: lezen geeft plezier en geeft betekenis, geeft zin aan leven en geeft zin in leven. De grote, positieve impact van het lezen van fictie is wetenschappelijk bewezen: Het zet aan tot nadenken en prikkelt het voorstellingsvermogen en het inlevingsvermogen.”
“Vergis je niet in de maatschappelijke betrokkenheid van jonge mensen! Historische thema’s als vrijheid van denken en geloven hebben hun belangstelling. Het is bovendien een actueel thema. Blijf je het geloof dat je van huis uit hebt meegekregen trouw? Of voer je je eigen koers met het risico uitgestoten te worden? Een geloofsgemeenschap biedt zekerheid en geborgenheid. Afvalligen lopen het risico dat te verliezen. Elk kind heeft het recht op het op eigen wijze richting geven aan het eigen leven en op een eigen manier mee te doen in de samenleving.”

10. Hoe reageer je op mensen die de levendige beschrijving van hondenseks smerig vinden?

“Met verbazing. Vooral ook vanwege het verschil in reacties. Vrouwen zeggen: ‘Gemma, meer seks!’ Veel mannen zeggen: ‘Weg met die hond, en dan die seks, bah.’ Misschien vinden mannen het moeilijk om over seks te lezen waarbij niet zijzelf en hun lustgevoelens centraal staan. Misschien wanen mannen zich als mens superieur aan dieren en begrijpen ze alleen de machtsverhouding baasje-hond. Ik vind: dieren zijn ook mensen. Toch eet ik vlees, ik eet alles, met mate. Mensen zijn immers omnivoren, alleseters.”

11. Wie is het rolmodel voor vrouwen: Adelheid, Blanche of Gentile?

“Die ene vrijgezelle juf op de lagere school, een vriendelijke zelfverzekerde vrouw. Ze had iets stoers wat ik niet kende van vrouwen. Dat intrigeerde me. Bovendien was haar lesmethode revolutionair; elk meisje in de klas leerde in haar eigen tempo en op haar eigen niveau. Adelheid is een sterke vrouw. Blanche en Gentile zijn bedeesde, onzekere vrouwen die zich gaandeweg steeds meer uit durven te spreken. In alle drie zit iets van de worsteling die ik zelf heb doorgemaakt van het lieve bescheiden dienstbare meisje waartoe ik ben opgevoed naar de zich emanciperende vrouw. De indoctrinatie van kerk en van je sociale omgeving zit in je botten. Het is een hardnekkige, eeuwigdurende strijd je daarvan te bevrijden.”
“Er zijn veel vrouwen die me inspireren. Emma Goldman, Rosa Luxemburg, Virginia Woolf, Doris Lessing, Hedy d’Ancona, Carmen Calvo, Ursula le Guin, Anaïs Nin, Zadie Smith, Marina Abramoviç, Chimamanda Ngozie Adichie en Sofi Oksanen. Veel van hen zijn schrijvers. Vrouwen die uitkomen voor wat ze vinden en willen. Ze houden mij en de samenleving een spiegel voor. Ze maken van de wereld een aangenamer oord voor iedereen.”

12. Is de kanselier een slecht mens? En de inquisiteur?

“De kanselier en de inquisiteur doen wat er van hen verwacht wordt overeenkomstig de rol die hen door hun autoriteiten is toebedeeld. De kanselier komt daarbij in conflict met de verschillende belangen die hij in zich verenigt: trouw zijn aan zijn koning, zijn eigen ijdele belangen en het belang van het land.”
“De inquisiteur is de vertegenwoordiger van de onbuigzame macht die overtuigd is van zijn eigen gelijk en alle middelen aanwendt om het belang van zijn eigen organisatie, de rooms-katholieke kerk, veilig te stellen. Daarmee stelt hij ook zijn eigen belangen veilig, want hij is vergroeid met de kerk en de kerkelijke belangen. Zijn absolute gelijk en dat van zijn instituut staan buiten kijf, dat maakt hem onmenselijk en zodoende is hij dus een slecht mens.”

13. Waarom is Djibriël zo eigenzinnig en koppig?

“In zijn overtuigingen is hij eigenlijk net zo fanatiek als de inquisiteur. Toch kent hij ook twijfel, is hij zoekende, dat maakt hem menselijk. Daarin verschilt hij hemelsbreed van de inquisiteur, die onwrikbaar is in zijn denken en doen.”

14. Waar gaat je volgende boek over?

“Dat wordt weer een historische roman, nu wat dichterbij in de tijd. Het gaat over hoe een meisje dat opgroeit met alledaags seksisme in de jaren vijftig – zestig. Daarvoor ontleen ik een en ander aan mijn eigen ervaringen met seksisme, de uitwerkingen zijn niet van mij, die zijn van het hoofdpersonage Charlotte. Elk kind heeft een natuurlijke aandrang van binnenuit om zichzelf te verwezenlijken, om te worden wie je zelf wil en kan zijn. Dat is een basaal mensenrecht dat miljoenen vrouwen nog steeds dag in dag uit wordt ontzegd. In deze roman met de werktitel Maar een meisje, laat ik zien hoe alles en iedereen dag in dag uit zich inspant om meisjes in de pasvorm van de traditionele vrouw te dwingen: dienstbaar en onzichtbaar.”
“Lale Gül beschrijft in haar boek Ik ga leven treffend het milieu waarin zij opgroeide. Het verdrietigste daaraan vond ik dat de jongens in dat milieu alle privileges hebben en de meiden niet steunen uit angst hun privileges te verliezen. Dat heeft overeenkomsten met de geschiedenis van de katholieke inquisitie. Allerlei geloofsgroepen in de middeleeuwen die we nu gemakshalve op een hoop vegen en Katharen noemen, erkenden de autoriteit van de rk kerk niet. De rk kerk kon deze andersdenkenden zo genadeloos bestrijden omdat ze steun van anderen kregen dan wel afdwongen. Pas toen die steun afkalfde, stopten de vervolgingen.”

Le grand inquisiteur, schilderij uit 1882 van Jean-Paul Laurens. Groot-inquisiteur Juan de Torquemada en paus Sixtus IV.
Schuiven naar boven