Computers in de kleuterklas, kan dat wel?

Computers en kleine kinderen, een omstreden onderwerp. Op welke leeftijd is computergebruik door kleine kinderen zinvol? Bijna veertig jaar geleden, in een tijd dat computers een nog nieuw verschijnsel waren in de kleuterklas, liet Gemma Geurts haar kleuters ermee experimenteren. Haar ervaringen tekende ze op in onderstaand artikel.

Oorspronkelijk verschenen in Computers Op School, Jaargang 1 nummer 0, december 1988

‘Iets met computers of zo.’, was het antwoord van een van mijn kleuters van 5 jaar, toen haar ouders vroegen of ze al wist wat ze later wilde gaan doen. Een idee dat ze niet opgepikt had uit een sciencefictionserie op televisie, maar dat ontstaan was door haar eigen ervaringen met de computer op school. Ongeacht welke intenties uit haar verlangen spreken, maakt ze in elk geval wel duidelijk dat ze zelf iets heeft met computers. En daar was het me allemaal om te doen.

Computers in de basisschool vormen zo langzamerhand een vertrouwd beeld, behalve in de onderbouw, daar zijn ze schaars. Voor kleuters is het immers nog veel te vroeg om met zo’n ingewikkelde machine te werken. Dat is de opinie van velen, maar niet de mijne. Hoe jonger een kind vertrouwd raakt met dit stukje geavanceerde techniek, hoe beter. Een kind zal dan geen vrees kennen als het er uiteindelijk echt mee moet werken. ‘Watervrij zijn’ is het doel van kleuterzwemmen. Het overwinnen van de angst voor water zodat je kunt leren zwemmen. ‘Computervrij zijn’ zie ik als het doel van de computer in de kleuterklas.

Nu mijn kleuters bijna een jaar lang met twee programma’s hebben gewerkt zie ik ook enkele nuttige mogelijkheden voor het overige onderwijs in een kleuterklas. De computer die ik in de kleuterklas gebruik is een ATARI 1040 ST met matrixprinter, muis en kleurenmonitor. Daarop heb ik twee programma’s gebruikt: ‘Ik zie, ik zie’ dat opdrachten geeft een kleur of vorm in een rij van meerdere kleuren of vormen te herkennen en aan te wijzen. ‘Er was eens’, een tekenprogramma waar ook korte teksten bij gemaakt kunnen worden.

De muis op het matje

De kinderen zijn nog melk aan het drinken. Daags ervoor heb ik iets met de vloeistofduplicator gedaan en ze veronderstellen nu dat al die apparaten daar wel mee te maken zullen hebben. Tim, zoon van een computerfanaat, verkondigt luidkeels dat het hier om een computer gaat. Ik haak er meteen op in en vraag wát dan precies de computer is, want er staan verschillende apparaten op de tafel. Samen benoemen we elk instrument en veel kinderen herhalen wat ik zeg en aanwijs: monitor, computer, printer. Dan til ik de muis op en vraag welk dier een staart heeft, terwijl ik het snoer door mijn handen laat glijden. Een muis, vindt iedereen zonder meer. ‘De muis woont op het matje en helpt je een handje als je iets op de computer wilt doen. Kijk maar, als de muis loopt beweegt het handje.’

Ik doe het voor. Iedereen is zo stil als de muis op het matje en kijkt ingespannen toe. Op mijn vraag wie nu met de muis het handje wil laten bewegen, steekt iedereen de vinger op. Ik kies een middelste kleuter. Zonder problemen verhuist het handje van de ene hoek van het scherm naar de andere. Dan mag een oudste, dan weer een middelste. Ook alle jongsten kijken me smekend aan en al vind ik dat een computer in de kleuterklas moet kunnen, bij dat hele kleine grut heb zelfs ik mijn twijfels. Nou, vooruit dan maar: een jongste. Het gaat goed. Nog een jongste. Dan vind ik het welletjes en ga ik verder met de introductie.

Kleuteroverleg voor het computerscherm
Kleuteroverleg voor het computerscherm. Foto © André Laarakker

Het programma ‘Ik zie, ik zie’ is geladen en met het handje wijs ik de kleur in het bovenste hokje aan. ‘Welke kleur is dit?’ ‘Blauw.’ ‘Waar is die kleur nog meer te zien?’ Een echte kinderhand wijst het blauwe blokje aan in de balk met vijf verschillende kleuren. Met de muis stuur ik het beeldschermhandje naar het aangewezen hokje. ‘De kleur is hetzelfde.’

Ik til de muis op en laat hem goed aan iedereen zien: ‘Een muis heeft behalve een staart ook nog ..? ‘Oren’ is het antwoord en ik wijs de ‘oren’ van de muis aan. ‘Als ik de muis in zijn oor knijp betekent dat ‘aanwijzen’ op de computer.

Iedereen luistert ademloos en vooral nieuwsgierig, enthousiast naar mijn eerste uitleg.

Bij het werk uitdelen kies ik twee oudsten, Erik en Jorus om aan de computer te werken. Iedereen beschouwt hen als geluksvogels. Zijzelf zijn apetrots en om de beurt doen ze de opdrachten. Al snel verander ik dit in om de drie keer, want anders zijn ze meer bezig met wisselen dan met het werk. Als na enkele minuten blijkt dat het programma en de muis geen problemen opleveren ga ik naar de andere werkhoeken voor de begeleiding van de kinderen die daar aan het werk zijn.

Erik en Jorus zijn klaar en weten zelf te melden dat ze maar 1 fout hebben gemaakt. Ik print het resultaat en samen bekijken we wat er uitgekomen is. Inderdaad, 1 fout. Trots gaan ze alle werkhoeken af met hun lijst. Ik denk niet dat de werkbespreking straks nodig is.

Ondertussen neemt een slimmerikje haar kans waar: ‘Mag ik nou?” Het is Marieke, een jongste van vier. Ik twijfel weer. Zo’n kleintje? Samen met Marijn dan, stel ik voor. Marijn is een kleuter van vijf jaar.

Jorus en Erik zijn er als de kippen bij zodra ze maar even het idee hebben dat het computerwerk niet feilloos verloopt. Steeds staan er twee of drie kinderen bij de computeraars. En dit beeld herhaalt zich elke computerdag: twee tot vier toeschouwers die gewoon maar stilzwijgend toekijken of popelend van enthousiasme willen helpen. Soms, als het wormpje naast de kleurenbalk goedkeurend knikt, wordt er geklapt of zelfs gekraaid van plezier. Mijn hulp is zelden nodig en ik kan me rustig aan mijn gebruikelijke activiteiten wijden. Pas als een opdracht af is besteed ik vijf minuten aan de kinderen in de computerhoek voor het printen en bespreken van de resultaten. Het laden en printen doe ik. De kinderen bedienen de muis, oudsten ook de lettertoetsen. Met degenen die al wat inzicht hebben in hun eigen kunnen, pleeg ik overleg over de aard en de moeilijkheidsgraad van de te kiezen opdrachten.

Kleurenspelletjes

Werken met kleuren op een computer betekent een volgend abstractieniveau. Zodra ik merk dat een kind steeds dezelfde fouten maakt tegen een bepaalde kleur kies ik dan ook geen speciaal menu voor dat kind. Geen extra tijd achter de computer, maar meer kleurenspelletjes, een liedje over die kleur, meer gesprekjes over kleuren in de kring: de kleur van je sokken bij een project over kleding, de kleur van je spaarpot tijdens een project over geld.

Het voordeel van een programma zoals ’Ik zie, ik zie’ is dat de kinderen er behoorlijk zelfstandig mee kunnen werken; ik de moeilijkheidsgraad per kind in kan stellen; de geprinte resultaten me een snel en goed overzicht geven van wat elk kind kan. Zo blijkt nu bijvoorbeeld dat vrijwel alle jongste kleuters fouten maken tegen kleurnuances. Met name lichtblauw en donkergroen leveren problemen op. Zonder computer zou ik daar minder snel achter zijn.

De twee genoemde programma’s zijn kleutervriendelijk doordat ze direct resultaat opleveren, de kinderen zelf kunnen zien of ze iets verkeerd doen, de kans krijgen te corrigeren en ze een concreet eindresultaat mee naar huis kunnen nemen: de print-out.

Zelf maak ik een kopie die in de verslagmap van het desbetreffende kind gaat.

Met het teken- annex tekstverwerkingsprogramma ’Er was eens’ heb ik de snelle, gemakkelijk te corrigeren hedendaagse drukpers in de klas. Kleuters en teksten is geen voor de hand liggende combinatie, maar door de vele taalactiviteiten in mijn klas heb ik steeds een aantal oudste kleuters die al wat kunnen lezen en schrijven. Zo maakt bijvoorbeeld een typmachine sinds jaar en dag onderdeel uit van de klasse-inventaris. Tekenen en daar een korte tekst bij bedenken is bovendien een werkvorm die gebruikelijk is in het Freinetonderwijs op onze school. In eerste instantie vreesde ik dat de kinderen in de war zouden raken door de verschillende lettersoorten. Sinds ik posters van elke soort in de klas heb hangen, maken ze zelf onderscheid in blokletters, schrijfletters voor als je al goed kunt schrijven en typletters.

Nu al?

Aanvankelijk kreeg ik nogal wat sceptische en verbaasde reacties van ouders: ’Hu, wat eng!’ ’Nu al? Moet dat nou?” Met name bij het tekenprogramma waren er mensen die zich afvroegen of dit programma de kleuters niet af zou houden van het echte tekenen. In mijn klas heb ik geen achteruitgang in de ’tekenproduktie’ kunnen constateren. Het stimuleert wel de sociale contacten en het samen fantaseren over de gemaakte tekeningen, over welke zin bij de tekening moet komen en hoe die tekst mooier gemaakt kan worden. Correcties ontsieren immers het resultaat niet.

In de helft van de gevallen typ ík er overigens de tekst bij. De rest van de oudsten kan dat, met elkaars hulp, zelf. Soms schrijf ik de door hun bedachte tekst met koeieletters voor, voor wie al aan een juiste spelling hecht.

Het stimuleert dus ook de hulpvaardigheid en het draagt bij tot het verwoorden van de handelingen die je verricht achter de computer: Kijk, als je met de spuitbus wilt schilderen dan moet je dat hokje aanklikken en …”

Meestal zitten er twee kleuters tegelijk achter de computer. Oorspronkelijk koos ik voor deze werkvorm om het observeren te vergemakkelijken. Nu blijkt dat deze formule een succes is, is het werken in duo’s ingeburgerd.

Kinderen die echt computervrij zijn en waarvan ik een overzicht wil van bijvoorbeeld de kennis op het gebied van kleuren, laat ik alleen werken. Na afloop controleer ik de resultaten met de Kleurspoelen van Montessori; een traditioneel kleuterspel.

Kleintjes vinden de computer eng

Hoe zit het nu met de eventuele angst voor computers? Bij Melissa thuis hebben ze allang een computer. Een ding waar ze nooit naar omkeek. Nu vertelt ze haar ouders hele verhalen over wat ze er op school mee doet en wil ze thuis ook wel eens wat proberen. Jeruda had al twee keer geweigerd om haar kans waar te nemen. Tot mijn stomme verbazing staat op een dag een ietwat verbolgen moeder op de stoep. Jeruda heeft thuis geklaagd dat ze nooit achter de computer mag… Kennelijk wilde ze wel, maar durfde ze nog niet goed. Ze had even de steun van haar moeder nodig om er echt aan te beginnen.

Van de ouders van sommige hele kleintjes hoor ik dat hun kind de computer eng vindt. Wat de computer betreft is er niets wat moet, dus dat hoeft geen problemen op te leveren. Maar waarom staan er dan telkens van die hummeltjes op een afstandje toe te kijken als iemand met die ingewikkelde machine bezig is? Aangetrokken worden en afgestoten worden door al dat gedoe en zo raken ze spelenderwijs vertrouwd met de computer.

Inmiddels is het een jaar verder en bestaat mijn kleuterklas uit louter vierjarigen. Toch gebruiken we twee ochtenden per week de computer. Ik kies voor opdrachten uit de eenvoudigste regionen van het kleurenprogramma, een enkele uitzondering daargelaten als een kind zelf al meldt: ’Die gemakkelijke kan ik allemaal al hoor”.

Weer doet zich het fenomeen van de kijkers en de doeners voor. Maar na verloop van tijd willen de kijkers óók. Ze hebben inmiddels de kat uit de boom en de kunst afgekeken.

Cartoon © Gerard Wegman
Schuiven naar boven